SURFEN NAAR SMERIGHEID

Jaren geleden zocht ik op het wereldwijde informatienetwerk eens naar beelddragers met een seksueel expliciet karakter. Daar moet je dus vreselijk mee oppassen. Een avondje vrolijk rondklikken in die maffe blijmoedige wereld leverde mij - ondanks scanners en andere voorbehoudsmiddelen - een geïnfecteerde computer op. Het stukje (zie hieronder) dat ik over deze virale besmetting schreef in een landelijke ochtendkrant, leverde mij zoveel hoon op dat ik tegenwoordig beter uitkijk. Ik zal het nooit meer toegeven. Door alle heftige veroordelende reacties leek het namelijk alsof ik de enige was die wel eens naar dit soort onchristelijke smerigheid kijkt.
En dat kan natuurlijk niet waar zijn. Vandaag heb ik eens gesurft naar statistieken over het pornogebruik. Dáár kan toch niets mis mee zijn? Ik kan niet anders zeggen: ik heb heerlijke uren gehad met het zoeken naar pornografisch cijfermateriaal. Vooral gelovigen zijn grootverbruikers. Voor wie er in geïnteresseerd is:
Iedere seconde kijken 28.258 mensen op internet naar pornografie. 35% van alle downloads is pornografisch. Dagelijks worden er bij zoekmachines 68 miljoen pornografische termen ingetypt, dat is 25% van alle verzoeken. Het woord ‘sex’ was in 2006 de meeste gezochte erotische zoekterm met ruim 75 miljoen hits. In Pakistan, Egypte en India werd dit woord het vaakst ingetypt. Dat laatste land en Kroatië waren de enige niet-moslimlanden in de top tien van ‘sex’-zoekers.
In 2000 waren naar schatting 60% van alle websitebezoeken seksueel gerelateerd. In 2006 werd het aantal ‘unieke bezoekers’ van adultpagina’s geschat op 72 miljoen per maand. Het aantal sekssites schatte men op 420 miljoen.
In 2006 werd er wereldwijd voor 97 miljard dollar omgezet in de seksindustrie. Dat was meer dan twee keer de omzet van Microsoft in dat jaar. Nederland staat met 200 miljoen dollar laag in lijst. China heeft de hoogste pornografische omzet: bijna 28 miljard dollar. In Zuid-Korea geeft men per persoon 525 dollar uit, een record!
Nederland staat wel op de derde plaats als het gaat om de productie van porno, na Amerika en Brazilië. We verdienen er dus goed aan. Over geld gesproken: in Amerika is er een duidelijke correlatie tussen inkomen en pornogebruik. Hoe meer men verdient, hoe meer men surft: de hoogste inkomens (+ 75 duizend dollar) kijken 35% van het geheel.
In 2007 keek in Canada een derde van de dertienjarige jongens wel eens naar porno. In 2006 had 87% van de Amerikaanse studenten seks met behulp van webcams, MSN of telefoon. De leeftijdgroep 35 tot 44 kijkt het vaakst.
In 2004 gaf 44% van de Amerikaanse werknemers (m/v) toe op het werk te surfen naar bloot. Voor universiteitsgebruikers was dit zelfs 59%. 17% van alle vrouwen worstelt naar eigen zeggen met hun pornoverslaving. 1 op de 3 bezoekers van sekssites is vrouw. 59% van de volwassenen vindt het moreel acceptabel om seksfantasieën te hebben. 38% vindt het moreel acceptabel om naar pornografisch beeldmateriaal te kijken. 10% van de cavia’s is homoseksueel, maar dat heeft er vrij weinig mee te maken.
En dan de gelovige seksklikkers! 50% van alle christelijke mannen en 20% van de vrouwen zijn verslaafd aan pornografie. 60% van de christelijke vrouwen worstelt met lust. 40% van hen heeft het afgelopen jaar een seksuele zonde begaan. 20% van de kerkgaande vrouwen kijkt regelmatig naar pornografie. 20% van de telefoontjes naar pastorale hulpdiensten gaat over digitale seks.
98% van de pastorale medewerkers heeft porno gezien, 43% bezoekt gericht sekssites. 61% van de getrouwde christelijke mannen masturbeert, en maar 13% van hen vindt dit gedrag normaal. Van de 1.351 pastors had 54% het afgelopen jaar porno bekeken op internet, 30% zelfs de afgelopen maand.
Oké, helemaal betrouwbaar zijn deze cijfers natuurlijk niet, want internet is een bron van onzin, overdrijving, misinterpretatie en kwade wil, maar één ding is zeker: wie wel eens naar porno surft, hoeft zich niet alleen te voelen.
(Column in Kijk van september 2009)
***
Dit was overigens mijn column in het AD/Utrechts Nieuwsblad uit 2004:
In 1994 schreef ik in het Utrechts Nieuwsblad een ongelooflijk visionaire column over een onderwerp waar ik toen geen bit verstand van had en waarvan ik ook heden ten dage vrijwel niets snap. De redactie van de krant had destijds namelijk in een van mijn computer afkomstige diskette (weet u nog: diskettes?) een of ander virus had gevonden dat de hele krant bedreigde.
Toegegeven, in die dagen hoereerde ik elektronisch gezien nog uiterst onveilig rond. Mijn voorspelling was - me ingefluisterd door mijn vriend Paul - dat er een wereldwijde intelligentiestrijd zou losbarsten tussen makers van virussen en bestrijders ervan. Tegenwoordig dwaal ik rond beschermd door virusscanners, ad-watchers, spy-alerts, firewalls en alle mogelijk andere digitale condooms en beflapjes, en toch heb ik gisteren wederom een smerige digitale gonorroe opgelopen.
Via het altijd grappige ‘hersenscheet.com’ kwam ik terecht op wat schimmige pagina’s met even ludieke als lubrieke filmpjes, waarna mijn systeem plotseling de mededeling gaf dat mijn computer geïnfecteerd was door een vijandig programma. Of ik wilde dat mijn systeem daar iets aan zou doen.
‘Tja,’ zei Paul, toen hij hoorde dat ik daarop yes had aangeklikt: ‘Dat had je dus niet moeten doen.’ Acht uur later was de indringer nog niet verdreven. Inmiddels surf ik niet meer met Windows Explorer, maar een browser genaamd Opera, en durf ik wederom een omineuze voorspelling te doen: virussen zullen het internet ooit definitief lam leggen.





